
Dit artikel is een introductie voor het Diagrams DesignLab, waarin dansfragmenten werden vertaald in architectuur. Het artikel geeft tegelijkertijd aan hoe zoiets abstracts als postmodernisme zich vertaalt in concrete formele of ruimtelijke uitgangspunten in kunst, dans, architectuur.
Moderne dans begon met de verkenning van abstractie. De eerste moderne choreografieen (balletten) waren gebaseerd op symfonieen. Ze volgen de structuur, het ritme, de melodie en de dynamiek van de muziek min of meer precies. De lijnen en partijen van de symfonie corresponderen met individuele dansers.
Het proces van abstrahering gaat een stap verder met de ontwikkeling van de ‘absolute dans’. Hierin vinden we geen expressie van gevoelens, sferen en verhalen, maar een constructie van beweging, dynamische spanning en vrijkomende energie. Geen re-presentatie maar presence. De ontwikkeling van absolute dans werd vooral door choreograaf Georges Balanchine en de ‘uitvinder’ van de ‘absolute muziek’ Igor Stravinsky voortgedreven. Ze maakten samen zo’n 70 ‘absolute dansen’.
Maar de moderniteit produceerde niet enkel absolutisme en abstractie, maar ook expressionisme. De bekendste expressionist was Laban, ook omdat hij de gelijknamige dansnotatie -vergelijkbaar met het notenschrift in de muziek- bedacht en veel theoretische verhandelingen schreef. Zijn theoretische kader wordt opgespannen rondom de begrippen Ruimte, Tijd, Gewicht en Stroom. Laban is hierbij vooral geinteresseerd in de houding die de dansers ten overstaan van deze zaken aan kunnen nemen. Hij beschreef de ‘vrouwelijke’ houding als gesteund, buigbaar, geremd en toegeeflijk. De ‘mannelijke’ houding omschreef hij als direct, plotseling, vrij en sterk.
De moderne abstracte dans wordt zowel voortgezet als omgezet in de postmoderne abstracte dans. Merce Cunningham en John Cage schreven behalve een indrukwekkende serie dansen ook een postmodern manifest voor de dans, waarin duidelijk wordt met welke ideeen zij werken:
- Elke beweging, ook bijvoorbeeld een alledaagse ‘operatie’, kan gebruikt worden als danspas of thema voor een dans.
–> Hier zijn we een open houding ten opzichte van zo ongeveer alles, die typerend is voor de experimentele, zoekende houding van de postmoderne tijd. - Elke procedure, ook bijvoorbeeld het gooien van dobbelstenen of het geven van plotselinge realtime instructies, kan gebruikt worden als methode van choreografische compositie.
–> Het loslaten van de strakke orde en het experiment met chaos, quantum instabiliteit en toeval/kans. - Elk deel can het lichaam kan worden “geisoleerd” van de rest en zelfstandig een dans uitvoeren.
–> Wederom het opgeven van de eenheid en orde, experiment met veelheid en decentralisatie. - Choreografie, muziek, kostuums, decors en lichtplan zijn onafhankelijke lagen die los van elkaar ontworpen kunnen worden.
–> Het ‘optellen’ van verschillende losse lagen garandeert onverwachte gebeurtenissen. - Elke danser kan soleren en er kunnen veel solisten tegelijkertijd op een enkel podium staan.
–> Wederom een flirt met veelheid om los te komen van harmonie en eenheid. - Elke ruimte kan worden gebruikt als dansplek, podia en musea maar ook een trap, keuken, park of dak
–> Nogmaals het losbreken uit gevestigde patronen en verwachtingen, om op zoek te gaan naar iets anders, iets onbekends, iets onverwachts.
In het algemeen kunnen we zien hoe de postmoderne dans zich losmaakt uit de ‘mooie’ harmonieuze orde om te bewegen in de richting van chaos, het open einde, het onbepaalde van de pure vorm die nog geen betekenis heeft. Het is een verkenning van het lichaam, beweging en energie, zonder daar direct iets van een conclusie aan mee te geven. Postmoderne kunst hoeft zelfs niet langer mooi, goed, eenvoudig of romantisch te zijn, maar kan ook in het teken van zwaarte, wreedheid, vertwijfeling of leegte staan.
BEELD: Motion tracking graphic van een dans, met dank aan Motek, Amsterdam.
No Comments
Leave a Comment
trackback address